Ljoedmila Is de moeder van Tolja. Zij  maakte een lange reis om haar zoon,
gewond in de oorlog, in het ziekenhuis te bezoeken en  daar hoorde zij
dat hij overleden was. In dit verhaal bezoekt zij zijn graf.

De tekst is uit Vasili Grossman: Leven en Lot.

Ljoedmila  Nikolajevna liep naar het grafheuveltje en las op het triplex bordje de naam van haar zoon en zijn militaire rang. Ze voelde duidelijk dat haar haren onder haar hoofddoekje begonnen te bewegen,iemand haalde er zijn koude vingers door.

Aan weerkanten van haar, helemaal tot aan de omheining, strekken zich rijen van net zulke grijze grafheuveltjes uit, zonder gras zonder bloemen, met een rechte,houten stengel die opschoot uit de aarde van het graf. Op de top van die stengel zat een triplex plankje met een naam. Er waren veel van zulke bordjes, die door hun dichtheid en eenvormigheid deden denken aan een rijk begroeid korenveld.

Nu had ze Tolja eindelijk gevonden. Ze had vaak geprobeerd te raden waar hij was

wat hij deed en waaraan hij dacht.   Zat haar kleintje te dommelen, geleund tegen de wand vn een loopgraaf? Liep hij over de weg, slurpte hij van zijn thee met zijn mok in de em een suikerklontje in de andere hand, rende hij over het veld dat onder vuur lag? Zij wilde bij hem zijn, hij had haar nodig: ze zou hem thee bijschenken, ze zou zegge “eet wat brood”, ze zou zijn schoenen uittrekken en zijn stukgelopen voeten wassen, ze zou hem een das omdoen. Elke keer verdween hij en kon zij hem niet meer vinden. Nu had ze Tolja gevonden,maar nu had hij haar niet meer nodig.

Een eindje verderop zag ze graven met granieten kruisen van voor de revolutie. De grafstenen stonden daar als een groepje oude mannen,overbodig geworden, iedereen koud latend. Sommigen waren scheefgezakt, aderen leunden hulpeloos tegen boomstammen aan.

Het was alsof de hemel een luchtledige ruimte was geworden, als of de lucht eruit weggezogen was en er als of er een leegte vol droog stof boven haar hoofd hing. En de geluidloze, krachtige pomp, die de lucht uit de hemel had weggezogen ging nog steeds door: niet alleen haar hemel verdween, maar ook haar hoop en haar geloof. Er was niets meer in die uitgestrekte,luchtledige ruimte, behalve een klein hoopje grijze bevroren aardkluiten. Alles wat leefde- haar moeder,Nadja,Viktors ogen, de oorlogsberichten- was opgehouden te bestaan. Alles wat leefde op aarde was levenloos gewordn. Alleen Tolja leefde nog. Maar het was zo stil om haar heen. Wist hij dat ze er was?

Ljoedmila viel op haar knieën voorzichtig om haar zoon niet te storen, en ze zette het bordje met zijn naam recht. Hij werd altijd boos als ze de kraag van zijn jas rechttrok als ze hem naar school bracht.”Hier ben ik dan. Je dacht zeker dat mama niet meer zou komen.” Ze praatte zachtjes, uit angst dat de mensen achter de omheining haar zouden horen. Er reden vrachtwagens voorbijover de grote weg. Donkere graniet grijze jachtsneeuw stoof over het asfalt,wervelend, dwarrelend, kringelend als rook. Melkmeisjes et bussen en met zakken klotsten langs op soldaten laarzen,schoolkinderen renden voorbij in gewatteerde jassen en warme soldatenmutsen op. Maar de dag vol bedrijvigheid leek een wazig visioen voor haar.Het was stil.

Ze praatte met haar zoon, ze herinnerde zich bijzonderheden ui zin leven en die herineringen die alleen i haar bewustzijn bestonden, vulden die ruimte met een kinderstem, met zijn tranen met het geritsel van de bladzijden van een prentenboek , hetbgetik van een lepeltje tegen de rand van een wit bord,het gezoem van zelfgebouwde radiotoestellen, het eknars vanski’s, hetbgepiep van de roeipennen van het bootje op de vijver bij de dasja, het geknisper van snoeppapiertjes en glimpen van een jongens gezicht, van zijn schouders en zijn borst.

Haar wanhoop had zijn tranen, zin kinderverdriet, zijn goede en slechte daden tot leven gebracht er een scherpe en tastbare werkelijkheid aan gegeven. Het waren geen herinneringen aan het verleden die haar in de greep hielden, maar gewone alledaagse zorgen. Waarom probeerde hij toch de hele nacht te lezen bij dat vreselijke slechte licht, wie wil er nou op zo’,n jonge leeftijd een bril moeten dragen? Daar lag hij nu in een dun hemd van ruw calico, met blote voeten. Waarom hadden ze hem geen deken gegeven? De grond was hard bevroren en de nacht vorst ongenadig..

Plotdeling gutste er bloed uit Ljoedmila’s neus. Algauw was haar zakdoek door weekt en zwaar van het bloed. Haar hoofd begon te tollen, het werd zwart voor haar ogen en even leek het alsof ze flauwviel. Ze kneep haar ogen dicht,en toe ze ze weer opendeed was de wereld die door haar leed tot leven was gebracht alweer verdwenen. Er was alleen het grijze stof dat opstoof door de wind en boven de graven wervelde, die een voor een begonnen te roken.

Het levens water, dat over het ijs was uitgestroomd en Tolja uit de duisternis had gebracht, was terug gevloeid en verdween. De door de wanhoop van een moeder geschapen wereld, die even uit zijn boeien was gebroken om werkelijkheid te worden was vervlogen. Haar wanhoop had als een god de luitenant uit zijn graf doe opstaan en de leegte gevuld met nieuwe sterren. Een paar minuten lang was de enige geweest die nog leefde en al het andere bestond dank zij hem. Maar haar geweldige moederlijke kracht kon de mensenmassa’s, de zeeën ,de wegen, de aarde en de steden niet langer onderwerpen aan haar dode Tolja .

Ze bracht haar zakdoek naar haar ogen. Haar ogen waren droog,maar haarzakdoek was doorweekt. Ze voede dat haar gezicht besmeurd was met kleverig bloed. Berusted met hangende schouders, zat ze daar,terwijl ze  voor het eerst onwillkeurig het besef door liet sijpelen dat Tolja er niet meer was..